Onderhoud en beheer wilde bloemenmengsels

Het onderhouden en beheren van wilde bloemenmengsels

Algemene opmerkingen:

  • De natuurlijke zaaiperiode is na de zomer. Dan vallen van nature de zaden. De bodem is normaal gesproken warm en vochtig, ideaal voor een goede kieming.
  • Voor spreiding van risico, kiemen in de natuur zaden nooit allemaal tegelijk. Onze zaden zijn niet veredeld en dus is deze natuurlijke spreiding behouden.
  • De verschillende soorten zaden hebben verschillende omstandigheden nodig om te kiemen. Met name 1-jarige soorten kiemen pas bij een voldoende warme bodem. Andere soorten hebben eerst een koude periode nodig om te kiemen. Bij het samenstellen van onze zadenmengsels hebben we daar geen rekening mee gehouden.
  • De snelheid van kieming kan voor de verschillende soorten zaden erg verschillen. Met name 1-jarige kiemen relatief snel, soms al binnen een week. Bij meerjarige soorten kan dit oplopen tot enkelen maanden. De snelheid van kieming wordt erg beïnvloed door de omstandigheden. Bij droog en koud weer kan dit veel langer duren en tot enkele weken of zelfs maanden oplopen.
  • Bij zaai in het voorjaar, kan beter niet na de langste dag gezaaid worden, de kans wordt daarna te groot dat veel planten niet meer tot bloei komen.
  • Bij zaaien in het voorjaar zullen er bij meerjarige mengsels in het eerste jaar maar beperkt bloemen zijn. Pas in het tweede jaar zal er volop bloei zijn en sommige planten bloeien pas vanaf het 3e jaar.
  • Ratelaar is een halfparasiet en onderdrukt de groei van gras, ze kunnen wel zonder gras kiemen.
  • Op kleigrond (rijkere grond) is er gemiddeld veel meer gewasontwikkeling, daarom wordt op kleigrond meestal 2x per jaar gemaaid en op armere zandgrond 1x per jaar.
  • Zandgrond kan door stikstofdepositie en het achter blijven van veel gewas verrijken. Mogelijk moet er dan als nog 2x per jaar gemaaid worden.
  • Maaien na de winter is goed voor het insectenleven, vogels en andere beesten. De bodem kan daardoor wel verrijken, omdat de voedingsstoffen uit de planten weer door de bodem opgenomen kan worden.
  • Maaien in mei is slecht voor het insecten leven, ze hebben dan ineens niets meer te eten.
  • Door gefaseerd maaien biedt u schuilruimte en voeding aan insecten en krijgen eitjes en rupsen meer kans zich te ontwikkelen. Door de volgorde elk jaar te veranderen, voorkomt u dat één deel van de bodem erg verrijkt en daardoor verruigt.

Maait u grotere oppervlakten, waar weidevogels aanwezig kunnen zijn, maait u dan van binnen naar buiten. Nog niet vliegvlugge vogels kunnen dan nog wegkomen.

Om zo veel mogelijk levens te sparen, kunt een ketting of iets dergelijks voor de maaier bevestigen. Het rammelende geluid kan de beesten alarmeren zodat ze weg kunnen komen.

Onderhoud van mengsels bestaande uit of met 1 en 2-jarige soorten.

1e jaar na inzaai:

Mengsels: A1, A2, Bg1, Bij1.1, Bij1.2, Bij2, E1, E2 en Fab1:

Het onderhouden en beheren van 1 en 2-jarige soorten

Selectief uitwieden, schoffelen of afknippen van ongewenste soorten, als dit voor het gewenste beeld nodig is, afhankelijk van de grootte van het ingezaaide oppervlakte.
Aan het einde van het jaar eventueel maaien en afvoeren, tenzij u ten behoeve van vogels en insecten dit na de winter wilt doen.

2e jaar na inzaai:

1-jarige mengsels: A1, Bg1, Bij1.1, Bij1.2 en E1:

  • Grond opnieuw bewerken en waar nodig opnieuw inzaaien. De mengsels Bg1, Bij1.1 en E1 inzaaien in het voorjaar, in koude winters met vorst redden deze het niet.

Mengsels met (1 en) 2 jarige soorten: A2, Bij2, E2 en Fab1:

  • In het najaar van het 1e jaar of na de winter (maart-april) van het 2e jaar, worden de resten van de 1-jarige soorten verwijderd. Ten behoeve van vogels en insecten kunt u dit ook na de winter doen.
  • U kunt nu lichte, oppervlakkige grondbewerking toepassen met een schraper of schoffel om plekken open te maken en ongewenst soorten te verwijderen.
  • 1-Jarige soorten kunnen zich opnieuw op deze plekken vestigen voor zover ze nog niet hier opnieuw gekiemd zijn.
  • Eventueel kunnen 1-jarigen worden bij gezaaid.

Onderhoud mengsels met 1, 2 en meerjarige soorten

Mengsels: Bg2, Bij3, Bij4, S1, Vb1, Vb2 en Vog1:

1e jaar na inzaai:
Selectief uitwieden, schoffelen of afknippen van ongewenste soorten, als dit voor het gewenste beeld nodig is, afhankelijk van de grootte van het ingezaaide oppervlakte. Aan het einde van het jaar eventueel maaien en na een paar dagen afvoeren, tenzij u ten behoeve van vogels en insecten dit (deels) na de winter wilt doen.

2e jaar na inzaai:
Zie onderhoud meerjarige mengsels vanaf het 2e jaar.

Onderhoud van meerjarige (vaste) mengsels:

Het onderhouden en beheren van meerjarige (vaste) mengsels

2e jaar na inzaai:

Mengsels: Blo1, Bo1, Bo2, Bwk, Bwv, Bwz , Dk1, Dt3, E3, Fab3, Fab4, Gr1, Gr2, Gr3, Gr4, Gr5, L1, L2 en Ro1:

  • De meeste meerjarige (vaste) mengsels hebben een ontwikkelingsperiode van ongeveer 1 jaar.
  • In dit 1e jaar ontwikkelen de kiemplanten zich tot planten, het volgende groeiseizoen gaan deze planten bloeien.
  • Na de inzaai zullen ook de hier de in de bodem aanwezige ongewenste ruderale (1-jarige) soorten gaan kiemen en sneller dan de vaste soorten die gezaaid zijn, uitgroeien en de gewenste soorten onderdrukken door concurrentie van licht, voedsel en water.
  • Het meest eenvoudige onderhoud bestaat uit het wegmaaien van de ongewenste soorten op 5-10cm hoogte met een grasmaaier op hoge maaistand of een maaibalk.
  • Dit maaibeheer wordt herhaald totdat de groei van de ongewenste soorten stopt.
  • Na de winter komen deze niet meer, of veel minder terug en is de bodem grotendeels bedekt met de vaste soorten.
  • Bij het mengen van vaste mengsels met eenjarige mengsels is dit maaibeheer niet mogelijk.

Als bloei in het eerste jaar gewenst is en er is te veel onkruidzaad in de bodem aanwezig, is het beter om een mengsel met 1-jarigen op een aparte strook in te zaaien met hierbij wat vast mengsel. Deze strook zorgt dan meteen voor bloei, maar kan niet op de hiervoor aangegeven manier beheerd worden.
Het uitwieden van ongewenste soorten in vaste mengsels is minder gewenst omdat hierbij de bodem verstoort raakt en er kiemplanten verloren gaan.
Als een minder net beeld geen probleem is of als er weinig of geen onkruidzaad in de bodem aanwezig is, kan dit maaibeheer (grotendeels) achterwege blijven. Een vast mengsel kan dan eventueel worden gemengd met een 1-jarig mengsel in de verhouding van max.: 1 deel 1-jarig : 3-delen vast mengsel.

Vanaf het 2e jaar:

Op schrale zandgronden volstaat in het algemeen 1x per jaar maaien, op rijkere / veen en kleigronden adviseren wij 2x per jaar maaien.

Mengsels: Bij3, Bij4, Bwk, Bwv, Bwz , Dk1, Dt3, E3, Fab3, Fab4, Gr1, Gr2, Gr3, Gr4, Gr5, L1, L2, S1, Vb1, Vb2.en Vog1:

1e maaibeurt:

  • Vanaf eind juni (vroeg) tot medio juli (laat) of september(schrale zandgronden). Kijk altijd naar de vegetatie en de bloei hiervan, dit kan van jaar tot jaar enigszins verschillen, ook onder invloed van het weer.
  • Maaisel ongeveer 1 week laten drogen zodat zaden kunnen uitrijpen en vallen, hierna afvoeren. (niet opzuigen, beestjes en zaden worden dan meegezogen)
  • Maai looppaden door de bloemenweides vanaf maart-april wat vaker, deze geven structuur aan de bloemenweide.

2e maaibeurt:

  • September, oktober voor weides op kleigrond of rijkere (bemeste) zandgrond voor de eerste jaren.

Mengsels: Blo1

Dit mengsel kan op 2 manieren beheerd worden.

  • Als een bloemenweide, 2x per jaar maaien en afvoeren. Voor onderhoud zie boven bij de andere meerjarige mengsels.
  • Als een gazon. Er kan max. 1x per maand gemaaid worden, anders krijgt u geen bloemen. Hoe vaker u maait, hoe minder bloemen.

Onderhoud Blo1 als gazon: max. 1x per maand maaien en afvoeren.

Faseren maaibeurt:

  • Spreiden in tijd van het maaibeheer.
  • U kunt ten behoeve van bijen, vlinders en andere insecten en beestjes, de bloemweides in delen opsplitsen en deze na elkaar (bv. 3 weken) maaien. Zo spreidt u de werkzaamheden en de bloei van de weide.

Differentiëren maaibeheer:
Verschillend beheren van verschillende terreindelen, bijvoorbeeld bosranden, paden, lage/hoge weiden. Vooral bij grotere terreinen is het interessant om meer variatie en diversiteit te bevorderen.

Uitzonderingen op deze vormen van maaibeheer

Mengsels: Bg2, Bo1, Bo2 en Ro1:

Deze vormen een uitzondering op de hiervoor genoemde maaivormen. Ze worden na de winter gemaaid en het maaisel afgevoerd. Voor een beheerplan op maat afgestemd op de situatie ter plaatse zijn wij u graag van dienst met advisering.

Als Ro1 echt op een walkant is ingezaaid moet het maaibeheer mogelijk aangepast worden aan de eisen van het waterschap.